punten
6
8
10
93. Pels en pelsconditie. De beharing
is zeer dicht en in tegenstelling tot vele andere rassen niet kort, maar
met een minimumlengte van 3 cm. Bij terugstrijken slaat het haar niet
direct terug, maar neemt, dankzij de rijke onderwol, zeer langzaam de
natuurlijke ligging weer in. Juist deze haarstructuur is van belang, om
de pelswaarde zo hoog mogelijk op te voeren. De ideale pelsconditie bij
het tentoonstellingsdier is een geheel doorgehaarde pels, zonder dun
behaarde of kaal plekje. De verharing herkent men duidelijk aan het
grannenhaar, het oude afstervende en het nagroeiende, krachtige
gekleurde haar is zichtbaar en te onderscheiden. Niet enkele in 't rond
vliegende haren, maarflink loslatende haar is als verharing te
beschouwen. De pels moet vol ingehaard, glanzend en aanliggend zijn.
4. Verzilvering(dekkleur). De dekkleur van de
niet verzilverde haren moet zuiver diep van kleur en glanzend zijn. De
verzilverde haartoppen moeten daartegen scherp afsteken. De snorharen
die niet verzilverd zijn, zijn gekleurd overeenkomstig de pelskleur, bij
konijngrijs zijn deze echter zwart. De oogkleur dij de blauwe nuances
blauw en bij de overige donkerbruin. De nagelkleur is bij konijngrijs en
zwart, donkerhoornkleurig, bij bruin, blauw en geel is de
nagelkleur hoornkleurig.
Voor de beoordeling van de drie nuances geldt
de volgende leidraad.
Licht. Bijna alle haartoppen zijn
verzilverd, zodat het dier op enige afstand een geheel licht
zilverkleurig uiterlijk heeft. Bij nadere beschouwing ziet men echter
enige niet verzilverde haren regelmatig over de pels verdeeld. Hoewel
dit aantal niet verzilverde haren ver in de minderheid is
vergeleken met het aantal wel verzilverde haren, mogen de niet
verzilverde haren niet te gering zijn.
Midden. Ongeveer de helft van de haartoppen is
verzilverd, met dien verstande, dat de niet verzilverde haren iets
sterker op de voorgrond treden.
Donker. Een gering aantal haartoppen is
verzilverd, zodat het dier op enige afstand geheel gekleurd lijkt. Bij
nadere beschouwing ziet men echter enige verzilverde haartoppen
regelmatig over de pels verdeeld. Dit aantal verzilverde haartoppen mag
niet te gering zijn, maar dient toch ver in de minderheid te zijn van de
niet verzilverde haren. Het aantal verzilverde haartoppen bij donker
Zilver is ongeveer even groot als het aantal niet verzilverde haartoppen
bij licht Zilver.
5. Gelijkmatigheid. De verzilvering moet niet
alleen in de juiste nuance, maar vooral ook regelmatig op het gehele
lichaam voorkomen. De snuit is dikwijls iets donkerder, dit is aan dit
ras eigen. Er dient naar gestreefd te worden een egale kleur en
verzilvering te verkrijgen, over het gehele lichaam, oren, benen en
staart inbegrepen.
6. Tussen- en grondkleur.
Zijn bij alle kleurslagen intensief. De onderkleur moet zuiver zijn,
d.w.z. er mogen geen witte haren in voorkomen. Bij de verschillende
kleurslagen is de tussen- en grondkleur als volgt:
Konijngrijs: Tussenkleur warm roestbruin, grondkleur donkerblauw.
Zwart : Tussenkleur zwart,
grondkleur donkerblauw.
Bruin : Tussenkleur
bruin, grondkleur blauw.
Blauw : Tussenkleur blauw,
grondkleur blauw.
Geel :
Tussenkleur donkergeel tot warm roodgeel, grondkleur geel.
Bij konijngrijs en geel, die de wildkleurfactor hebben, is de buikkleur,
evenals de kaakranden, binnenzijden van de benen en de onderkant van de
staart, wit. De grondkleur op de buik bij konijngrijs is blauw.
7. Lichaamsconditie en verzorging. Het spreekt
vanzelf, dat op een tentoonstelling of keuring het konijn in de beste
conditie moet worden voorgebracht. Het lichaam goed bevleesd, gespierd,
met andere woorden zo hard als een bikkel. Slappe, magere of te vette
dieren zijn uit den boze. De nagels worden regelmatig evenwijdig met het
loop vlak, zonder het "leven" te raken geknipt, ook de duimnagels. De
nagels zijn vrij van mest en mestballen. De gehele pels alsook de
voetzolen en binnenzijde van de oren en de geslachtsdelen moeten schoon
zijn. De dieren worden vrij van klitten voorgebracht. Het oog moet
helder zijn, tintelend van levenslust. Een dier dat ter keuring wordt
aangeboden is goed getraind, zodat rasadel door een goede stelling wordt
getoond.
Lichte fouten. Geringe afwijkingen in type en/of
bouw. Iets dunne oren. Geringe afwijkingen in de zuiverheid en de
gelijkmatigheid van het dek en de extremiteiten, zoals: iets meer
verzilverde oren, borst, voeten of staart. Iets onregelmatige
verzilvering. Iets verbleekingte dekkleur. Enkele witte of doorlopende
verzilverde haren. Iets minder sterke tussen- en/of grondkleur. Iets
gele aanslag op de buik, bij de kleurslag geel. Iets zwakke blauwe
grondkleur aan de buik bij konijngrijs. Iets ticking op het dek bij de
kleurslag geel. Kleurarme snorharen.
Zware fouten. Grove afwijkingen in type en/of
bouw. Sterke afwijkingen in de zuiverheid en gelijkmatigheid en
gelijkmatigheid van het dek en en de extremiteiten, zoals: te veel of te
weinig verzilverde delen van het lichaam (zie lichte fouten). Sterk
verbleekte dekkleur. Onvoldoende tussen en/of grondkleur. Te veel of
doorlopende verzilverde haren. Ontbrekende grondkleur aan de buik bij
konijngrijs. Sterke gele aanslag op de buik, alsmede buikkleur die
geel opblaast bij de kleurslag geel. Te veel ticking bij de kleurslag
geel. Te zwakke kleur van de snorharen.